De adviezen van wethouder Eelco Eerenberg

Eelco Eerenberg is als wethouder verantwoordelijk voor de portefeuille jeugdzorg. Nu in Utrecht, eerder in Enschede. Daarnaast is hij voorzitter van de commissie Zorg, Jeugd en Onderwijs bij de Vereniging Nederlands Gemeenten. Eelco Eerenberg is dus goed ingevoerd in de landelijke en lokale vraagstukken rondom de jeugdzorg. Daarnaast was hij eerder gemeenteraadslid in Enschede. Jeugdzorg Nederland stelde hem enkele vragen over wat een (nieuw) raadslid op de portefeuille jeugdzorg moet weten en kan doen.

Wat is uw boodschap aan nieuwe raadsleden over jeugdzorg?

“Jeugdzorg is een dankbaar onderwerp voor raadsleden. Het gaat over de volgende generatie voor de gemeente waar je als raadslid actief bent en hoe je die in staat stelt klaar te zijn voor die toekomst. Met veel kinderen gaat het goed en die zijn gelukkig in het leven. Maar dat geldt helaas niet voor alle kinderen. Sommige kinderen hebben echt hulp nodig. Vaak is dat alleen een duwtje in de rug, maar soms komt er ook echt meer bij kijken. Dat is een hele verantwoordelijkheid voor raadsleden. Maar tegelijkertijd ook een dankbare taak.”

eelco eerenberg

Eelco Eerenberg
Wethouder gemeente Utrecht

Wat zou een nieuw raadslid met de portefeuille jeugdzorg moeten doen?

“Allereerst: leer de kinderen en jongeren waar het om gaat kennen. De kinderen die jeugdhulp nodig hebben staan vaak niet vooraan als jongeren worden bevraagd. Ze zijn vaak relatief onzichtbaar voor het grote publiek en dus ook voor nieuwe raadsleden. Het label dat je hulp nodig hebt, is bijna een taboe. In onze prestatiemaatschappij is het niet makkelijk om daar voor uit te komen. Dat moet echt anders. Nodig deze kinderen uit en voer een open gesprek over wat zij nodig hebben. Gebruik dat als input voor je eigen inbreng als raadslid op dit belangrijke beleidsterrein.

“De kinderen die jeugdhulp nodig hebben staan vaak niet vooraan als jongeren worden bevraagd. Ze zijn vaak relatief onzichtbaar voor het grote publiek en dus ook voor nieuwe raadsleden.”

Ten tweede: we leven in een rijk land, waar veel geregeld is. Er zijn allerlei organisaties en professionals die zich inzetten voor deze kinderen. Praat zeker ook met hen. Deze professionals, en de organisaties waar zij werken, hebben ook een goed beeld van wat er wel en niet werkt en waar verbeteringen mogelijk zijn. Dus: eerst luisteren naar de jongeren, daarna in gesprek met de jeugdprofessionals. Er zijn verschillen tussen regio’s, in de cultuur en hoe mensen met elkaar omgaan. En er zijn verschillen tussen grote en kleine gemeenten. Als raadslid moet je erachter zien te komen: wat is híer, in mijn gemeente, nu precies nodig?

En ten derde: als je op deze manier vanuit de inhoud begint, kom je vanzelf terecht bij de taaiere onderwerpen: geld, sturing, het stelsel. Zorg dat je als raadslid voldoende informatie en ‘grip’ hebt. Dat begint met jezelf steeds de vraag stellen wat daarvoor nodig is. En laat je zeker niet wegsturen met dooddoeners als ‘dat we dat nu eenmaal altijd zo doen’ of ‘dat het zo complex is’. Blijf oplossingen zoeken, ook als het moeilijk is, ook als er te weinig geld is. 

“Blijf oplossingen zoeken, ook als het moeilijk is, ook als er te weinig geld is.”

Natuurlijk moeten we kinderen die deze hulp nodig hebben altijd helpen. Maar als dat ertoe leidt dat er op essentiële voorzieningen bezuinigd moet worden, dan gaat het van kwaad tot erger. De bibliotheek, het jongerencentrum, juist dergelijke laagdrempelige voorzieningen in de wijk spelen een belangrijke rol voor opgroeiende kinderen. Als gemeente, en dus ook als raadslid, ga je echt over deze zaken. Jeugdzorg raakt de hele samenleving en hangt samen met andere beleidsterreinen. Besef dat en pak die verantwoordelijkheid.”

De inkoop van specialistische jeugdhulp wordt vaak op regionaal niveau gedaan, door meerdere gemeenten samen. Hoe kun je daar als gemeenteraadslid op sturen?

“Voor specialistischere jeugdzorg is vaak een grotere schaal dan de gemeente nodig. In eerste instantie de jeugdregio en soms zelfs nog groter. Organiseer je ook regionaal als raadsleden, om daar invloed te hebben. De minimale variant is dat je elkaar opzoekt. Als er vanuit verschillende gemeenteraden dezelfde boodschap wordt meegegeven aan de wethouders, dan heeft dat natuurlijk invloed. 

“Vraag aan de wethouder om de raad op de hoogte te houden van wat er in het regionale overleg speelt”

In sommige regio’s zijn er mooie voorbeelden van hoe die regionale samenwerking tussen gemeenteraden structureler is georganiseerd, bijvoorbeeld met de Twenteraad. Op regionale besluitvorming is invloed mogelijk en het is belangrijk dat elk geluid daarin gehoord wordt. Vraag aan de wethouder om de raad op de hoogte te houden van wat er in het regionale overleg speelt, welke inbreng de eigen gemeente daarbij levert en zoek naar ruimte om vanuit de gemeenteraad een zienswijze mee te geven aan de wethouder. Voor zeer specialistische zorg is zelfs de regionale schaal te klein. Maar de toegang tot die zorg loopt wel via de gemeente. Zorg dus dat die toegang goed op orde is.”

Wat zijn dingen die u heeft ontdekt en die voor raadsleden van belang kunnen zijn, dus wat waren voor u ‘eye-openers’ als het om de jeugdzorg gaat?

“Ik kan het niet genoeg benadrukken: ga echt de werkvloer op en maak kennis met de praktijk van de jeugdzorg. In onze samenleving komen helaas ook zeer schrijnende situaties voor. Verhalen die onder je huid kruipen en die je niet kent als je er niet zelf mee in aanraking komt. Daar kan ik soms kippenvel van krijgen. En wat mij daarbij opvalt: er is soms maar weinig voor nodig om in zo’n situatie terecht te komen. Het kan je eigen kind overkomen. Het verschil tussen gewoon mee kunnen doen of in de problemen komen, is vaak maar heel klein. Als kinderen te lang rondlopen met problemen, worden de problemen vaak alleen maar groter. Met alle gevolgen van dien voor het kind, gezin en de omgeving. En heel plat: ook voor de gemeente.

“Het verschil tussen gewoon mee kunnen doen of in de problemen komen, is vaak maar heel klein.”

Daarnaast wil ik de enorme onbaatzuchtigheid van zoveel mensen in de jeugdzorg noemen. Dat wordt te weinig gezien. Professionals die ook buiten kantooruren nog doorwerken voor deze jongeren. En de inzet van pleegouders. Die bij een spoedplaatsing alles aan de kant moeten schuiven om er voor een kind te zijn. Die eigenlijk dachten ‘nu even niet’, maar als er een beroep op hen wordt gedaan toch het belang van een kind het zwaarste laten wegen. Zorg dat je dit als raadslid ziet en waardeert. Zij zijn cruciaal voor goede jeugdzorg.

En tenslotte: we hebben de jeugdzorg wel heel erg ingewikkeld georganiseerd met elkaar. Honderden productcodes, inkoop en aanbesteding, woonplaatsbeginsel, systemen en stelsel: iedere euro die we aan deze ingewikkeldheid besteden, gaat niet naar de zorg. Gemeenten moeten de komende jaren 1 miljard, en in de plannen van het kabinet zelfs 1,5 miljard euro, zien te bezuinigen. Zoek die besparingen vooral hier, en niet in het beknibbelen op de daadwerkelijke zorg. Het is niet handig als iedere gemeente andere administratieve eisen stelt aan een jeugdzorgaanbieder. Voer het debat over de keuzes die gemaakt moeten worden en betrek daar zoveel mogelijk mensen bij.”

Als ik me verplaats in een nieuw raadslid en uw antwoorden tot nu toe hoor, dan kan ik me voorstellen dat zo’n nieuw raadslid zich afvraagt hoe hij/zij dit nu praktisch aan moet pakken. In gesprek met jeugdzorg-jongeren en professionals, maar hoe dan? 

“Je hoeft dit natuurlijk niet in je eentje te doen. Verenig je als woordvoerders jeugdzorg in de gemeenteraad en schakel de griffie in om dingen voor je organiseren. Griffies staan er altijd voor open hier een rol in te spelen en de raad kan ook een beroep doen op ambtelijke bijstand. Maak gebruik van die gemeentelijke ondersteuning om het gesprek met jongeren, professionals en jeugdzorgorganisaties, bijvoorbeeld door middel van een werkbezoek, te organiseren.”

“Raadsleden en de wethouder moeten altijd een open oor houden voor signalen uit de praktijk”

En tenslotte: heeft u een voorbeeld uit uw eigen praktijk, waarbij een vraag of suggestie van een raadslid iets in beweging bracht, wat anders was blijven liggen?

“Jazeker. Daar zijn wel meer voorbeelden van. In Enschede vroeg een raadslid mijn aandacht voor het feit dat pleeggezinnen te maken hadden met verschillende regels. Bij een crisisplaatsing waren de regels die aan de woning worden gesteld anders dan bij een reguliere plaatsing. Soms moest een kind alleen om die reden doorgeplaatst worden, terwijl het crisispleeggezin dolgraag voor dat kind wilde blijven zorgen. Dat wil natuurlijk niemand. Ik heb dat toen uit laten zoeken. Het kwam gelukkig niet heel vaak voor, maar was wel degelijk een probleem. Als gemeente hebben we toen besloten om pleegouders te ondersteunen wanneer met een kleine ingreep, zoals het plaatsen van een dakkapel wel aan de eisen kon worden voldaan. Dat is natuurlijk in eerste instantie aan de pleegouders en de jeugdhulpaanbieder, maar de gemeente kan wel net het verschil maken. Als raadslid kan je de wethouder op deze manier sturen, want raadsleden en de wethouder moeten altijd een open oor houden voor signalen uit de praktijk.”